Een bron van verwondering
Na mijn serie Oergrond, waarin ik vooral zocht naar de onderliggende essentie van beeld en materie, merkte ik dat mijn aandacht zich steeds vaker verlegde naar iets anders: de vanzelfsprekende vormen van de natuur. Niet als onderwerp op zich, maar als bron van verwondering.Op een koude zondagochtend stond ik gebogen over een kale zandvlakte, gefascineerd door wat zich daar in alle stilte had gevormd. Bevroren structuren in het ijs tekenden zich af als fragiele patronen — tijdelijk, kwetsbaar en volledig ontstaan zonder ingreep van de mens. Voor een buitenstaander moet het er misschien vreemd hebben uitgezien: iemand die minutenlang stil staat bij wat op het eerste gezicht nauwelijks opvalt.
Ik kijk — en de vorm verschijnt.Maar juist daar gebeurde iets wat voor mij herkenbaar voelde. Waar Oergrond ging over het terugbrengen van het beeld tot de essentie, liet deze ervaring mij zien hoe die essentie zich ook vanzelf vormt in de natuur. Niet bedacht, niet geconstrueerd — maar ontstaan.
In die onvoorspelbaarheid herken ik iets wat ook in mijn fotografie belangrijk is: ruimte laten voor wat zich aandient. Waar ik eerder bewust elementen reduceerde om tot verstilling te komen, ontdek ik hier dat dezelfde verstilling ook aanwezig kan zijn in complexere, natuurlijke structuren.
De patronen in het ijs, de scheuren, de lijnen — ze lijken abstract, maar voelen tegelijk herkenbaar. Niet omdat ze iets concreets voorstellen, maar omdat ze aansluiten bij een dieper visueel geheugen. Alsof je iets ziet wat je niet kunt benoemen, maar wel herkent.Voor mij hebben deze beelden geen vaste betekenis. Ze werken intuïtief: vormen worden leidend, lijnen worden beweging en structuren openen zich tot nieuwe associaties. Anders dan in mijn eerdere abstracte werk ontstaat dit niet door reductie, maar door te volgen wat er al is — de natuur biedt de vorm aan, ik hoef alleen te kijken.
Wat mij daarin raakt, is de verwondering die ook in Oergrond aanwezig was: het besef dat in het alledaagse iets veel groters verscholen ligt. Een bevroren plas of stukje grond blijkt, met aandacht bekeken, een wereld op zichzelf.
Daarin herken ik een duidelijke verschuiving. Waar Oergrond begon als een zoektocht, voelt dit werk steeds meer als volgen. Ik leg minder op en ontdek meer. De fascinatie voor vorm blijft, maar ontstaat nu vanuit wat zich aandient — in de natuur, in het moment, in het kijken zelf.
En misschien is dat uiteindelijk waar dit werk naartoe leidt:
niet naar een beeld dat ik maak,
maar naar een beeld dat ontstaat doordat ik leer zien wat er al is.

